Tenten bestaan er in alle vormen en kleuren. De keuze is niet eenvoudig. Ook bij productomschrijvingen is het zoeken naar de juiste vergelijkingsbasis. Een kritische hiker is er twee waard. Hier geven we je enkele pertinente vragen mee die je jezelf moet stellen bij de aankoop van een tent. Op tarps gaan we hier niet diep in, dit is voer voor een apart artikel.

Geschreven door Debbie Sanders en Tom Van Wauwe, met aanvullingen van Ivo Vanmontfort en Joery Truyen. Zelf nog suggesties, post ze in dit forumtopic.

Hoeveel mag mijn tent wegen?

Van trekkingtentjes verwacht je dat ze niet te veel wegen. Je moet ze immers meerdere dagen aan een stuk dragen. Een maximum van 3 kg voor een 2-persoonstent is daarom aangeraden. Maar je kan vrij makkelijk tenten vinden die een pak minder wegen en sommige 1-persoonstenten wegen zelfs minder dan 1 kg. Zeker bij een rugzaktocht is elke kilogram die je minder meedraagt, mooi meegenomen. Maar aan de andere kant moet je tent uiteraard ook kwalitatief goed genoeg zijn voor je tocht en je plannen op langere termijn.

Miskijk je niet op het gewicht dat door de producent voorop wordt geplaatst. Er bestaan twee termen:

  • Minimum weight / pack weight = buitentent + binnentent + tentstokken (dus zonder piketten en opbergzak!)
  • Maximum weight = alles dus ook piketten, opbergzak en eventuele reserveonderdelen.

Ga dus zeker na wat het maximum en dus reële gewicht van een tent is. Daarenboven durft je weegschaal thuis nog meer aan te geven dan wat op de verpakking staat.

En vergeet uiteraard niet dat een natte tent nog een pakker weegt meer dan een droge. Hoe groter het basisgewicht, hoe meer er potentieel bij kan komen op het terrein.

Tunneltent met extra grote voortent: erg comfortabel maar wel een vrij hoog gewicht (foto: Willem Vandoorne).

 

Hoe groot moet mijn tent zijn?

Er zijn drie aspecten die belangrijk zijn:

(1) De grootte van het slaapgedeelte moet aangepast zijn aan jouw lichaamslengte maar ook de breedte van je slaapmatjes (vaak 50cm breed). Bij sommige 2-persoonstenten kunnen matjes niet meer naast elkaar liggen. Teken het grondvlak desnoods vooraf met krijt op straat zodat je een beeld krijgt van de effectieve grootte. Uittesten in de winkel is uiteraard nog beter.

De Westwind van TNF is een kwalitatieve tent maar vrij krap voor twee personen (foto: Debbie Sanders).

 

(2) De hoogte van het slaapgedeelte moet voldoende zijn om rechtop te kunnen zitten, zeker nabij de ingang. Sommige tenten hebben dan wel een groot grondoppervlak, maar de schuine wanden geven toch snel een krap gevoel.

(3) Een voortent is nodig om materiaal te kunnen bergen en bij slecht weer te kunnen koken. Veel lichtgewicht tenten boeten op deze ruimte in, maar wie regelmatig streken met wisselvallig weer opzoekt vb. Scandinavië of in de winter wilt kamperen, heeft dit absoluut nodig. Let er daarbij op dat bij het koken in je voortent, je brander voldoende ver van je binnen- en buitentent is verwijderd én dat je voor genoeg ventilatie zorgt (door de ingang open te ritsen, gedeeltelijk of geheel naar gelang de weersomstandigheden). Zeker bij het gebruik van een benzinebrander kan je een vrij aardige steekvlam hebben, oefen dus eerst eens buiten de tent, voor je je waagt aan het koken in de voortent.

Kunnen koken in de voortent is in nat en/of koud weer een echte must. Zorg wel voor voldoende ventilatie (foto: Debbie Sanders).

 

Hoe bepaal ik de kwaliteit van een tent?

Een tent moet je beschermen tegen weer en wind. Het is vooral in stormweer dat je tent op de proef wordt gesteld. In bosrijkere gebieden zoals de Ardennen of het Zwarte Woud kan je vrij beschut een tent opstellen. Hoe desolater het gebied, hoe hoger de kans dat je onbeschut stormweer moet doorstaan en dus hoe belangrijker de kwaliteit wordt. In Scandinavië kan het bijvoorbeeld heel stevig waaien. In de winter is de kans op storm nog groter dan in zomerse condities en spelen soms ook nog andere factoren mee (draagkracht  t.o.v. verse sneeuw, opzetten bij vrieskou…). Vandaar dat je aan een wintertent hogere eisen zal stellen.

De stormvastheid van een tent hangt van drie factoren af:

  1. Kwaliteit van de gebruikte materialen
  2. Tentvorm
  3. Keuze van de bivakplaats & wijze van opzetten

De eerste twee factoren zijn objectief, en dus belangrijk te controleren bij de aankoop van een tent. De derde factor hangt samen met je vaardigheden die je via ervaring opdoet, en zal in een apart artikel worden besproken.

Bivakkeren is niet enkel het goeie materiaal meenemen maar ook de goeie bivakplaats kiezen en je tent of tarp goed opzetten (foto: Debbie Sanders).

 

1. Hoe schat je de kwaliteit van de gebruikte materialen in?

Een klassieke tent bestaat uit een binnentent met grondzeil waarover een buitenzeil wordt gespannen om de regen buiten te houden. Voor de binnentent wordt meestal een licht tentdoek gebruikt, al dan niet behandeld met een waterafstotend laagje om afdruppend condenswater tegen te gaan. Sommige lichtgewichttenten hebben enkel een buitenzeil.

Kwaliteit van grond- en buitenzeil

Hierbij zijn er twee aspecten van belang:

De stof

Fabrikanten gebruiken voor een moderne tent meestal nylon of polyester. De voorkeur gaat uit naar nylon omdat het sterker is dan polyester, minder weegt en beter uitrekt waardoor het beter een stevige wind kan absorberen. Het is wel gevoeliger voor UV-beschadiging en neemt meer water op. De minder sterke polyestervezels worden gecompenseerd door gebruik van een dikkere vezel. Af en toe zie je eens “cuben fiber” opduiken. Het is erg licht en damp- en waterdicht (hoeft dus geen extra coating). De relatief lage schuurvastheid en vooral veel hoge prijs, zorgt ervoor dat dit vooralsnog geen populaire stof is.

Denier is een eenheid die de dikte van een stofdraad aangeeft, en bepaalt de scheur- en schuurvastheid. In zijn geheel wordt de sterkte van een stof bepaald door:

– De sterkte van de vezel (wat recht evenredig is met denier maar verschillend per materiaalsoort).
– De manier waarop de stof geweven is waarbij voornamelijk de oppervlaktedichtheid van de vezels van belang is.
– De karakteristieken van de ripstop (indien aanwezig)
– De hoeveelheid silnylon coating op de stof

De coating

Bij voorkeur gebruikt men voor het buitenzeil de kwalitatief betere siliconencoating. Siliconen dringen namelijk in de vezels terwijl polyurethaan (PU) op de stof ligt en dus gemakkelijk kan loskomen. Tegenwoordig gebruikt men ook gemengd doek, met siliconen aan de buitenzijde, en PU aan de binnenzijde van het buitenzeil, opdat dan de naden getaped kunnen worden en omdat PU een betere waterdichtheid biedt.

Voor het grondzeil wordt zwaarder doek gebruikt met het liefst een meerlagen PU-coating. Die is slijtvaster dan siliconen en heeft een grotere waterdichtheid. Bij ultralichte tenten wordt soms toch een grondzeil met siliconencoating gebruikt om gewicht te besparen. Naast een lagere slijtvastheid en waterdichtheid heeft dat nog een extra nadeel: siliconendoek voelt gladder aan, dus is het een stuk moeilijker om stil te blijven liggen en je verschuift dus snel. Je kan dit echter zelf oplossen door een tube siliconen te kopen en op het doek op regelmatige afstand ribbels te verven om meer wrijving te hebben.

De waterkolom geeft de waterdruk weer waartegen een materiaal bestand is, alvorens er water doorheen dringt. 1500mm wordt beschouwd als het minimum. Hoe hoger de waarde, hoe beter de waterdichtheid. De waterkolom is echter ook sterk onderhevig aan UV-licht. Na verloop van tijd gaat de waterkolom dus naar beneden. Vandaar dat je beter wat marge voorziet.

De waterkolom wordt normaal aangeduid in mm, al zijn er producenten die andere eenheden durven gebruiken vb. Quechua (Decathlon). Zij duiden waterdichtheid aan met vb. 200mm/u, wat betekent dat men de tent onder een douche zet waaruit men 200mm water per uur ofwel 200l/m²/u laat regenen (wat in werkelijkheid overeenkomt met een ferme wolkbreuk die je zelden zult meemaken). Het doel hiervan is om de waterdichtheid van de ritsen en naden te testen, niet om de waterdichtheid van het doek zelf na te gaan. Het zegt dus eigenlijk niets over de waterkolom van de tent en je zal die dus ‘in de praktijk’ moeten testen.

Silnylon: nylon met een siliconencoating (foto: Joery Truyen).

 

En welke kwaliteit kies je nu?

Buitenzeil

Wat materialen betreft heb je de keuze om een tent te kiezen met relatief licht silnylon buitendoek (10 à 20D / 2000mm waterkolom). Zulk materiaal heeft natuurlijk wat mindere scheursterkte en de buitentent zal sneller water gaan opslorpen na beschadiging door UV-licht. Voor drie-seizoensgebruik voldoet dit wel maar de duurzaamheid zal gewoon wat minder zijn. Als je een tent zeer vaak gaat gebruiken raden we licht buitendoek af. Dan is 20 à 30D silnylon met minimum 3.000mm waterkolom voor het buitenzeil een must voor zomerse condities. Aan het andere uiteinde heb je dan het zware silnylon (40D en minimum 3.000mm waterkolom). Dit is zeer sterk silnylon, goed voor wintertenten. Buitenzeil in een donkere stof is UV bestendiger dan lichtere kleuren. Kijk anders eens op de site van Hilleberg. Ze labelen hun tenten afhankelijk van gebruik. Onder fabric lees je meer over de kenmerken van de buitenstof.

Grondzeil

Bij het grondzeil zit je met steviger materiaal wat doorpriksterkte/schuurvastheid betreft als je voor 50 à 90D (of meer) gaat. Grondzeil van 20 à 40D is minder stevig maar voldoende als je grassige bivakplekken uitkiest. Ga je vaak op stenige ondergrond je tent opzetten dan kies je beter voor een hoger denier.

De waterdichtheid wordt bepaald door de hoeveelheid PU-coating op het grondzeil. Hoe hoger de waterkolom, hoe beter. Ga uit van een minimum van 5.000mm voor 3-seizoensgebruik en 10.000mm voor wintertenten.

De eisen voor winters gebruik liggen een pak hoger dan voor een tent in zomerse condities (foto: Steve Behaeghel).

 

Dikte en materiaal van tentstokken

Wat de dikte van de tentstok betreft: 8-9mm dikte is nu standaard voor zomerse condities. Voor winter/expeditie ga je best uit van tentstokken van 10-11mm of de mogelijkheid om twee 8-9mm in de sleuf de kunnen steken (dit noemt men “double poling”).

Uiteraard zal de sterkte ook afhangen van het materiaal. Tentstokken kom je tegen in glasvezel, aluminium en koolstof/carbon. Stokken uit glasvezel tref je aan bij de goedkopere tenten. Als je een glasvezelstok sterker buigt dan voorzien, zal die niet verbuigen, maar eerder splijten of versplinteren waarbij de tentstok doorheen het tentdoek kan gaan. De meeste tenten maken gebruik van tentstokken uit een aluminiumlegering. Tegenwoordig worden ook tentstokken gemaakt uit koolstofvezels. Ze zijn lichter en vaak sterker dan aluminium. Grote namen zijn stokproducenten DAC, Yunan en Easton. Stokken blijven hoe dan ook fragiel, trek je er dus nooit aan op en trap er niet op.

 

2. Hoe kies ik tussen al die tentvormen?

Tenten kom je in allerlei maten en vormen tegen. En elk jaar lijken er weer bij te komen. Hoe bepaal je dan wat het best bij je past? Even een overzicht van de mogelijkheden:

Tunneltenten

Als tentstokken elkaar niet kruisen spreken we tunneltenten. Er bestaan ook 1-boogstenten, voor solo-gebruik. Ze bieden de meeste ruimte voor een laag gewicht en zijn makkelijk op te zetten. Vaak hangt de binnen- in de buitentent.

Bij goed design (en piketten stevig verankerd) is een tunneltent erg windvast bij wind in de lengterichting. Bij zijwind zijn ze erg beweeglijk en komt alle kracht op de stokken en zijscheerlijn terecht. Enkel tenten met een goed design, en mogelijkheid tot double poling, kunnen dan nog redelijk wat verdragen. Tunneltenten zijn vooral ideaal voor (winter)trips in het hoge noorden (Scandinavië) waar je in principe altijd in een vallei bivakkeert en de wind dus maar uit twee richtingen kan komen. Daar hoef je dus niet zo te vrezen voor zijwind.

Een tunneltent (foto: Willem Vandoorne).

Een tunneltent (foto: Willem Vandoorne).

 

Koepeltenten

Bij de koepeltent kruisen de tentstokken elkaar. De meest simpele versie heeft twee tentstokken die elkaar bovenaan kruisen. Hoewel zeer makkelijk op te zetten, is deze versie van elke kant gevoelig voor wind en dus geen aanrader in desolate berggebieden.

Bij de betere koepeltenten zijn er 3 (semi-geodeet) of 4 stokken (geodeet) die elkaar kruisen. Dit zorgt voor een rigidere structuur en een grote windbestendigheid, vrijwel onafhankelijk van de windrichting. Daarbij hebben ze ook het voordeel dat sneeuw minder makkelijk zal verzamelen op het dak omdat er minder vlakke delen zijn, al hangt dit sterk af van de precieze vorm van de tent.

Een koepeltent staat ook op zich en is dus minder afhankelijk van haringen. Op een stenige ondergrond is dat een voordeel maar we raden aan om altijd piketten te gebruiken en je tent stevig te verankeren.

Het nadeel is wel het hogere gewicht vergeleken met een tunneltent. Vaak moet je ook eerst de binnentent opstellen, vooraleer je het buitenzeil kan opzetten, wat in erg nat weer een nadeel is.

Semi-geodetische tent (foto: Steve Behaeghel).

 

Hybride vormen

Fabrikanten proberen tegenwoordig ook de voordelen van tunnel- en koepeltenten te combineren in een hybride ontwerp. Niet altijd met even veel succes echter. De stelregel is, hoe kleiner de oppervlaktes die niet ondersteund zijn, hoe beter de stormvastheid.

Vaude maakt vrij lichte hybride tenten die goed zijn voor zomerse condities (foto: Martine Moens).

 

1-stoks- en 2-stoksmodellen

Deze vormen zijn wat van een revival bezig met op de komst van lichtgewichttenten en tarps. Hierbij worden wandelstokken gebruikt om de tent of tarp op te stellen. Hun grote voordeel is dus het lage gewicht.

Veel hangt van de vorm van de tent of tarp af hoe windvast de constructie is en hoeveel ruimte je hebt. De zogenaamde 1-stoksmodellen (ook ‘pyramids’ genoemd) kunnen vrij stormvast zijn als ze laag opgezet kunnen worden en rond van vorm zijn (vb. Trailstar). De 2-stoksmodellen (kregen de toepasselijke naam ‘ridge tents’) hebben weinig plaats nodig om op te zetten maar zijn – door de snel aflopende wanden – minder stormvast en niet zo comfortabel. Deze vormen zijn dus meer geschikt voor gebieden waar je vrij beschut kan kamperen.

Een 1-stokstent van Golite (foto: Arvid Dujardin).

 

Andere aspecten

Let ook op volgende zaken bij de aankoop van een tent:

  • Bij een drassige ondergrond is het aangeraden dat het grondzeil een opstaande kuiprand zonder naden heeft zodat opspattend water niet naar binnen kan. Let op, dit kan enkel bij kleine tenten.
  • Welke tent je ook kiest, de stabiliteit hangt ook sterk af hoe goed je hem verankerd. Let er op dat je tent over voldoende scheerlijnen beschikt en dat ze strategisch zijn aangebracht. We gaan uit voor minstens 4 scheerlijnen (voor- en achterzijde en langszij).
  • Bij gebruik in desolate gebieden en vooral in de winter, ga je best voor een buitenzeil dat erg dicht bij de grond komt. Bij veel wind wil je vermijden dat die te veel onder het buitenzeil blaast.
  • Een schuine deuropening in de binnentent is vooral in de winter te vermijden. Als verijsd condens die aan de binnenkant van het buitenzeil kleeft, begint te smelten, dan drupt het in de binnentent. Een rechte deuropening is dus aan te raden.
  • Stokken die je schuift in nylonsleuven of vasthangt met clips zijn in de winter een stuk praktischer dan sleuven uit gaas want die kunnen dichtvriezen.

Een tent goed kunnen verankeren (voldoende stormlijnen) is even belangrijk als de kwaliteit en de vorm (foto: Debbie Sanders).

 

Wat met ventilatiemogelijkheden?

Condensatie zal je in alle tenten hebben. Niet alleen door het vochtige weer, maar ook als gevolg van het koken en ademen binnenin. Kies daarom een tent met voldoende ventilatieopeningen en met vrij veel ruimte tussen binnen- en buitentent (ze mogen elkaar niet raken). De ventilatie werkt het best als (1) de ventilatieopeningen allen hoog geplaatst zijn, maar ver van elkaar of (2) sommige hoog en andere laag geplaatst zijn (om een schoorsteeneffect te creëren).

Bij deze tent zit er ventilatie bovenaan, wel beschermt met een ‘dakje’ (foto: Joery Truyen).

 

Zorg voor voldoende ventilatie, zeker bij goed weer, en denk na over je bivakplaats: niet te dicht bij water of onderaan een dal, wel hoger op een helling of in het bos waar het warmer en droger is.

Bij elke tent is er in meer of mindere mate gaas verwerkt in de constructie van de binnentent. Dit zorgt voor een betere ventilatie, maar is ook kouder. Gaas wordt in eerste plaats gebruikt voor de deur- en ventilatieopeningen. Bij wintertenten kijk je best uit voor een binnentent die je helemaal kan afsluiten, zeker als je naar noordelijke streken trekt.

Hier zie je dat de binnendeur half met gaas, half met nylon is afgewerkt (foto: Debbie Sanders).

 

Enkele optionele keuzes

  • In regenweer is het handig dat je de buitentent eerst kan opzetten. De binnentent kan je er dan nadien in hangen of hangt er bij sommige modellen zelfs integraal in. Ook het afbreken van de tent kan je dan voor een groot deel in droge omstandigheden doen. Of je alles droog kan houden, hangt natuurlijk af van de condities en het feit dat je binnen- en buitenzeil apart opbergt.
  • Het is geen must, maar twee ingangen kunnen erg praktisch zijn. Zo heb je een luifel voor het materiaal, en een luifel voor het koken. Of je hebt elk een luifel voor het nachtelijke plasje. Nadeel van twee luifels is dat dit het tentgewicht kan verhogen.

Bij (semi)-geodeten moet je vaak eerste binnentent opstellen, en dan het buitenzeil erover trekken (foto: Steve Behaeghel).

 

Samenvattende tabel

Om bovenstaande tips wat bruikbaarder weergegeven, hebben we een fiche in pdf-formaat opgemaakt die je makkelijk kan afprinten.

Tent_kiezen_fiche_afbeelding

 

Zin of onzin van een footprint?

Een footprint is een zeil dat je onder het grondzeil legt, bij onze noorderburen bekend onder de term ‘tentluier’. Het geeft extra bescherming aan het grondzeil en komt dus de duurzaamheid van de tent ten goede. Vaak wordt er wegens gewicht of kosten op bespaard. Zolang je maar zorgvuldig je bivakplek vrijmaakt van scherpe stenen en takken, kan je ook best zonder footprint. Grondzeilen zijn lang niet meer zo kwetsbaar als vroeger.

Bij lichtere en minder kwalitatieve grondzeilen kan het wel nog steeds de moeite lonen. Zorg dan wel dat de footprint niet onder de tent uitsteekt zodat er zich geen plas kan vormen tussen grondzeil en footprint! Let er ook op dat de PU-gecoate kant langs boven ligt. Je kan footprints van je tentfabrikant kopen, maar eenvoudiger en goedkoper is om er zelf één te fabriceren. In dit forumtopic worden tips uitgewisseld.

 

Piketten

Bij elke tent worden standaardharingen geleverd. Bij het ene merk zijn die al wat beter dan bij andere. Er zijn heel wat diverse types haringen los te koop in de winkel. We nemen er drie types uit:

  • Voor zomerse condities zijn de Y-vormen voor diverse terreinen geschikt: van gras tot rots. Deze vorm heeft vooral als voordeel dat, als je er met een steen moet op kloppen (wat je enkel doet als het echt nodig is), er minder kans op buigen is. Ze worden als minder handvriendelijk beschouwd, maar door een stoffen zakdoek te gebruiken kan je je palm beschermen. Aluminium exemplaren zijn voldoende, maar kunnen wel sterk verschillen in kwaliteit. Dit verklaart dan ook deels het prijsverschil tussen eenzelfde soort piketten. Titanium is sterker dan aluminium, maar wel een pak duurder.
  • Bij erg zwaar terrein krijgen ronde pinnen nog altijd de voorkeur, maar zorg ervoor dat ze een stevige kop hebben.
  • Voor sneeuw en zand zijn U-vormen of halfronde haringen nodig.

 

Tentenshows tijdens het voorjaar

Elk voorjaar vinden bij diverse buitensportzaken tentenshows plaats. Ideaal om veel tenten tegelijkertijd op te zien staan. Bovendien krijg je dan ook wat extra korting. Kruip in de tent om de ruimte in te schatten, neem ook een rolmeter mee. Als je echt een tent op het oog hebt, vraag of je die eens mag afbreken en opzetten.

Hieronder een interessant filmpje is de tententest van Op Pad uit 2012. De tentmodellen zijn uiteraard niet meer actueel, maar zo zie je vooral hoe je op een praktische manier tenten kan beoordelen.