Dit verslag gaat over de “ervaringstocht” met een tof clubje in het begin van oktober in het fabelachtige Engelse Lake District. Dit verslag schrijf ik een week na terugkomst en ik ben er nog altijd van aan het nagenieten. De hele tocht begon eigenlijk màànden tevoren al met het voorbereidingsweekend in maart,  in een bos in Averbode. Ik dacht toen: “6 dagen gaan stappen in Engeland, hoe moeilijk kan dat zijn?”. Gelukkig zette Yanick ons daar toch al met de stapschoentjes op de grond. Ons groepje van niet onervaren hikers kreeg broodnodige tips en tricks mee over waar we ons konden aan verwachten in het Lake District. Het werd duidelijk dat ik nog een écht goede regenjas moest vinden. En een regenbroek, iets wat ik normaal gezien achterwege laat, leek ook een must. Maar bon, ik had er enorm veel zin en de voorpret kon beginnen.

Toen heel België bezig was met zomervakanties en zon en terrasjes, was ik me aan het inlezen over guur weer in het Lake District. Over Beatrix Potter die er inspiratie haalde voor haar beroemde prentenboeken, over de common grounds waarover de ruige Lake District schapen de plak zwaaien, over de Engelse liefde voor wandelen in het woeste landschap (lees Robert Macfarlane!), over de boeiende geologie… Veel gelezen en dus stond ik zondag 6 oktober samen met 5 anderen te popelen om de bergen ook echt in te trekken. Met twee auto’s en een ferry kwamen we aan in Keswick, een onooglijk stadje met een buitenproportioneel hoog aantal outdoorwinkels (wat sommigen de “hemel” zouden noemen). 

Eén van de redenen waarom ik aan deze tocht deelnam was dat ik ook eens wou stappen en bivakkeren in wat wij Belgen “slecht weer” noemen. En Belgen noemen alles wat geen blauwe lucht met zon is “slecht weer”. Toen ik tijdens een milde regenbui de opmerking “the weather is nice today” hoorde, merkte ik dat ze dat in Engeland toch anders zien. Maar bon,het was wel écht slecht weer die eerste dag en de voorspellingen voorspelden niet veel goeds. De Mountain Weather Forecast, de weerdienst Yr.No  én belangrijker nog, de Mountain Weather Information Service (Frank Deboosere is er niets tegen)  gaven windsnelheden aan van tegen de 90 à 100 km/u en dat was toch wel héél veel wind.

Zelfs zoveel dat Yanick in samenspraak met ons besloot de trip van 6 dagen op te splitsen in 2 driedaagsen én de routes aan te passen aan de verwachte stormwinden (tijdens een stormwind wil je niet in een “windgat” zitten). Op die manier konden we flexibeler locaties kiezen én -niet onbelangrijk- hoefden we niet al het eten mee te dragen. Ik was misschien een beetje teleurgesteld (iets waar ik de volgende storm-nacht onder een wild flapperende tarp trouwens op terugkwam), maar dat was meteen de eerste leerles tijdens deze ervaringstocht: in gure omstandigheden en in relatief nieuw terrein moet je flexibel kunnen zijn. Zowel qua routes als tochtindeling. De manier waarop de beslissing werd genomen was trouwens met respect voor ieders wensen. 

Driedaagse 1 (7/10/19-9/10/19)

Dus maandag 7 oktober maakten we onze rugzak na een nacht in de leuke Keswick Youth Hostel (echt een aanrader) en we gingen op pad. We trokken het dal uit via een traag stijgend pad. En alsof de weergoden ons in de gaten hadden, kregen we meteen een paar malse regenbuitjes over ons. Om erin te komen, want niet veel later begon ook de wind aan te trekken. Het was wat zoeken naar een tempo dat voor iedereen ok was. Sommigen hebben van nature een sneller tempo (ik stijg vb graag snel, maar ben een trage daler) en dan is het kwestie van een collectief aanvaardbaar tempo te vinden. Dat is ook belangrijk om ervoor te zorgen dat de groep samen blijft op moeilijkere stukken. Want een ongeluk is gauw gebeurd, ergens op een rots viel Leen vb op haar hoofd (vraag me niet hoe ze dat deed, ik heb het niet gezien). Yanick was er in 1-2 grote passen bij. Na het eten van een Snickers (er is veel dat je kan oplossen met een Snickers) die er niet opnieuw uitkwam konden we verder. Toch een beetje schrikken was dat.

Boven aangekomen maakten we voor de eerste keer kennis met het geweld van een Lake District wind. Het was al hevig aan het waaien maar onbeschermd in volle wind, werd het moeilijk om je hoofd erbij en je lijf recht te houden. Ik raakte een beetje gedesoriënteerd (en ik weet graag waar we zijn op kaart) en ik was blij dat de wind ook af en toe ging liggen en we weer normaal tegen elkaar konden praten. Tegen de avond kwamen we aan Angle Tarn. Een prachtige plek en als de wolken weg trokken kon je het stille meer en zelfs de bergen aan de overkant zien. Overal schapen die zich moeiteloos staande hielden in de stevige windvlagen, ze leken zelfs een beetje meelijwekkend op ons neer te kijken. Tenten opgezet zo goed en zo kwaad als dat ging, stevige stenen gezocht om ze vaster mee te zetten en met een bang hartje in de slaapzak gekropen. Eerst met hoop op een goeie nachtrust.

Na onophoudelijk geklapper van de tarp en een nachtelijke rondgang om stenen terug te leggen, nam ik genoegen met een paar uurtjes “rust” (lees: in de slaapzak liggen en hopen dat de tent het houdt). Volgende leerles: een tarp is heel sterk en houdt het dus met gemak (maar veel geklapper). Respect voor de tarp!

Na een woelige stormachtige nacht was ik blij dat het eindelijk tijd was om op te staan. Op anderhalf uur waren we klaar met ontbijt en opbreken en konden we beginnen aan de tocht richting Wasdale Head (waar we in een mals weiland mochten overnachten, dus dat was toen al iets om naar uit te kijken). Eerst lekker klimmen, maar de slechte nacht had ons wel wat geradbraakt en toen de wind weer begon aan te trekken was het tijd om een extra Snickers of energiereep binnen te spelen.

Zowel fysiek als mentaal een hulpmiddel om er weer tegen te kunnen. En dat was nodig, boven aangekomen nabij Allen Crags stond de wind zo straf te waaien dat de regenhoesjes rond ieders rugzak enthousiast meededen. Die van Leen zag het niet meer zitten en vloog weg, de kam over. We hebben hem niet meer teruggevonden, dus hopelijk is er nu een slim schaap dat eronder kan schuilen. Hier nog eens een praktische leerles: bind je regenhoes rond je rugzak stevig (maar écht stevig) vast bij sterke wind. Het was de bedoeling om die dag al Scafell Pike te beklimmen, maar de vermoeidheid sloeg bij sommigen genadeloos toe.

Na de winderige beklimming en een natte pauze volgde een lange kalme afdaling. Gert die tijdens het klimmen slappe benen had, vond ineens energie terug tijdens de afdaling en ging er als een berggeit vandoor. Ik probeerde te volgen en hoopte dat mijn knieën het gingen houden (ik heb zwakke knieën en dus een voorkeur voor klimmen boven afdalen). Het woeste landschap veranderde langzaam in weidegrond, hier en daar een boerderij en voor we het wisten waren we in Wasdale Head terechtgekomen. Een verzameling boerderijtjes, huisjes en weitjes rond de kleinste kerk van Engeland. In de pub (de beste pub van Engeland blijkbaar) vonden we lekker eten, bier, thee en vooral warmte en gezelligheid. Leen kocht in de plaatselijke outdoorshop (echt, er was een outdoorshop in dat onooglijk dorpje) een nieuwe regenhoes. Eentje die het maar 1 dag zou uithouden, maar dat is voor later. ‘s Avonds zetten we de tenten op in een mals weiland dicht tegen elkaar en achter een muurtje. Lekker uit de wind, dat was het voornaamste.   

Na een lange en rustige nacht was het tijd voor het echte werk, de beklimming van Scafell Pike. Met 978m de hoogste berg van Engeland. Via een mooie rustig stijgend pad namen we de eerste 400m. Het pad was min of meer aangelegd met grote stenen en de regenbuitjes waren mals, ideaal om de dag mee te beginnen dus. We stegen naar een puinhelling die we zigzaggend doorkruisten tot we aan een scramble tussen rotsblokken konden beginnen. Het was gelukkig niet aan het regenen en eens we terug een degelijk breed pad oppikten besloten we uit de wind te lunchen. We waren nog niet halverwege onze lunch of het begon opnieuw te druppelen. Gelukkig was het maar lichtjes maar de lunch verliep toch net iets sneller dan normaal.

We stapten nu verder over blokkenterrein naar de hoogste top van Engeland. Filip verloor er bijna zijn regenhoes in de hevige wind. We waren nog net op tijd om ze vast te pakken. Na het opnieuw ophangen van de regenhoes, wat oriënteren met gps en kompas vonden we vlot onze weg naar Green Crag. We stapten vlijtig verder over grote en kleinere rotsblokken. We pauzeerden eventjes om iets te eten en de route van de namiddag verder te bekijken. We namen er Esk Pike nog even bij want het weer zat goed. Op Esk Pike begon de wind toch weer toe te nemen en besloten we om langs een steil pad af te dalen naar Angle Tarn, de bivakplek van de eerste nacht. Net zoals die eerste avond was het stevig aan het waaien en deze keer was het nefast voor de grootste tent, de Hilleberg.

Door het platslaan van de tent door de wind brak één van de stokken. We besloten om alles terug op te bergen en alsnog af te dalen tot het dal. De herstelling is voor later. In volle wind gingen we over Rossett Pike om dan zigzaggend op de flanken van Bow Fell af te dalen. Het tempo was gemoedelijk, Leen trok wat aan en de rest volgde op het gemak. Het was een lange stapdag en de woordjes “ik ben choco” (hier zijn ettelijke varianten op uitgevonden zoals “ik ben kroket”, “ik ben plat”, “het is leeg”…) komen over de lippen in de laatste 500m voor de parking. Al snel volgt er iemand met “ja, voor vandaag is’t goe geweest”. We trekken naar Keswick om even te ontsnappen aan de hevige wind en kiezen voor een overnachting in de hostel. Een leuke plek om terug op krachten te komen en samen wat te eten. We beleven nog een tof diner.

Driedaagse 2 (9/10/19-11/10/19)

Na een dagje shoppen in de outdoorwinkeltjes van Keswick vertrokken we in de late namiddag vanaf de voet van Dead Pike voor de volgende 3 dagen stappen. Zoals het hoort in het Lake District kregen we een welkomst-regenbui over ons heen die toch wel een paar uur zou duren. Het pad ging meteen pittig steil omhoog, door de overvloedige regen was het uitkijken om niet uit te schuiven en door de talrijke waterloopjes en watervalletjes die we moesten oversteken was het een uitdaging om de voeten droog te houden (wat uiteraard niet lukte). Maar wat een prachtig pad! Het uitzicht en het wilde landschap langs de Willie Wife Moor (echt, wie verzint die namen?!) waren echt een streling voor het oog. Ik liep de hele tijd met een glimlach naar omhoog, ondanks de niet ophoudende regen. Boven aangekomen was de wind ook weer van de partij en “Grisedale tarn” waar we wilden bivakkeren bleek niet echt een comfortabele plek te zijn. We hadden een paar parameters voor een geschikte bivakplek: 1) uit de wind, 2) geen drassige ondergrond en 3) zo vlak mogelijk.

Niet simpel om die 3 dingen samen aan te treffen in het Lake District. Dus ietwat moe bekeken we de kaart op zoek naar een betere plek. Om uit de wind te zitten is het beter om terug naar de vallei af te dalen en inderdaad, na nog een uurtje stappen vonden we een pittoresk plaatsje naast een waterval met een grandioos uitzicht! Heel het gezelschap was in zijn nopjes. De plek lag bezaaid met koeienvlaaien, maar “strontvrij” was niet één van de parameters. Snel tenten opgezet, degenen die alleen sliepen kregen hulp van de anderen omdat een tent opzetten in veel wind nu eenmaal niet simpel is. En tegen de avondschemering konden we gezellig in de grote Hilleberg van Yanick dineren. Het gesprek ging over welke gevriesdroogde maaltijden het lekkerst zijn (de zalm met broccoli van Real Turmat blijkt een favoriet). En daarna onze “nest” in. Door de niet aflatende regen begon mijn tarp langs de bovennaad wat te lekken dus helemaal gerust was ik er niet op. Gelukkig kwam Yanick een uurtje later nog eens checken of we wel allemaal braaf onze tanden hadden gepoetst.

Na een geruststellende uitleg over water in de tent en een tip (regenjas over slaapzak leggen) ging ik gerust slapen. De volgende ochtend bleek de hevige wind iedereen weer een woelige nacht te hebben bezorgd, maar we konden toch min of meer uitgerust aan de 2de dag beginnen. Dat zou een stevige dag worden, maar dat wisten we toen nog niet. We begonnen met een lange afdaling langs de vallei verder naar beneden om dan terug te stijgen richting “the hole in the wall”. Dat hole in the wall bleek inderdaad gewoon een gat in een van de typische stenen muurtjes te zijn. Een prachtige uitrustplek (de zon was er ook ineens bij) om te lunchen. De moreel was tiptop en we hadden zin om te beginnen aan de beklimming van Helvellyn (950m). De lange aanloop ernaartoe heet “Striding edge”, een wat mythische richel.

Geografen noemen dit een arête, omdat de richel wordt gevormd door twee tegen elkaar liggende cirques. Striding Edge is een populair pad en er waren veel andere hikers en runners enthousiast aan het scramblen. Voor ons was het toch wat uitdagend (niet naar beneden kijken!), vooral wegens de rugzak. Vaak was het echt klauteren (naar beneden, naar boven) en zoeken naar het pad of de makkelijkste route, een speeltuin voor grote mensen in feite 🙂 Eenmaal boven aangekomen was de rust van zeer korte duur. Tot die tijd was de lucht rustig gebleven (gelukkig, want op Striding Edge wil je geen felle wind), maar toen vonden de weergoden het welletjes.

Vanuit het westen stak er een stormwind op waartegen we amper bestand bleken. We moesten ons uit alle macht schrap zetten om niet om te vallen. Dat was even slikken, het geweld van dergelijke wind kunnen wij ons -Belgen- moeilijk voorstellen. De lichtgewichten onder ons hadden het moeilijker dan de meer solide mans-mensen (lees: Yanick) en we vonden er niet beter op dan ons stevig aan elkaar vast te klampen. En zo ging het verder, na een paar minuten ging de wind weer liggen en konden we adem happen. Fieuw, weer een ervaring bij op deze ervaringstocht. En een extra leerles: wanneer het oncomfortabel of zwaar wordt, gaat dat ook altijd weer voorbij. Dan moet je soms even doorbijten en doorgaan. 

Nu Helvellyn achter ons lag, werd het tijd om een nieuwe bivakplek te zoeken. Na de felle wind van zo-even was iedereen het erover eens dat “windluw” wel een héél belangrijk puntje was geworden. Dus we doken de vallei weer in. In de verte zagen we beneden een dam die ook op de kaart stond aangeduid. Het idee om achter de stevige muur van die dam te slapen leek een zeer aantrekkelijk idee. Waar kon je nog meer uit de wind staan dan achter een muur van 30m hoog? Om er te geraken moesten we een iets breder beekje over. Springen over snelstromend water via spekgladde stenen is niet mijn ding en ik hoopte dan ook vurig dat ik er droog over zou geraken. Dat lukte nipt dankzij een helpende hand van Yanick. De gedachte aan warm eten en slaapzak deden me al watertanden, maar…de dam bleek (al heel lang geleden) zijn beste tijd te hebben gehad.

Het gevaarte brokkelde overal af en het was gewoon te gevaarlijk om daar ons kampement op te zetten. Verder zoeken dus -en terug dat rotbeekje over, grmbl-,   de moreel zakte ineen, iedereen was moe. Ook de volgende plekken bleken allemaal te nat of te winderig. Het begon al zachtjes te schemeren. We liepen verder de vallei af. Net toen we vreesden dat we in het dorp zouden moeten bivakkeren, vonden we toch een stukje vlak terrein! Iedereen blij, tenten op, elkaar helpen en gezellig naast elkaar de eetzakjes opeten (die avond waren de beef stew en kip curry een succes). Ik dook de tarp in en viel als een blok in slaap. De volgende dag kroop ik uitgerust uit mijn slaapzak, het kopje oploskoffie smaakte en de zon zette de vallei in een prachtig fotogeniek ochtendlicht. Wat een prachtige omgeving is dit toch!

De laatste dag vatten we aan met een rustige klim richting Sticks Gill. De vermoeidheid begon zijn tol te eisen bij sommigen en de geplande route werd wat ingekort zodat we na de middag terug bij de auto’s zouden aankomen. We hadden nog een mooie wandeling met prachtige vergezichten en straffe afdalingen voor de boeg. Ik ben geen held in afdalen (zwakke knieën, een beetje gebrek aan durf), maar toen er van achter mij een frisse fellrunner opdook die als een hinde naar beneden huppelde, probeerde ik ook wat meer vaart te maken. Ik denk wel niet dat ik er als een hinde uitzag, maar het gevoel had ik dan toch, haha. Mijn knieën hielden zich goed en na een afdaling die wel eeuwig leek te duren, stonden we met zijn allen veilig beneden waar we de toevallig aanwezige pub binnenvielen. 

Dan was het tijd voor eten, drinken en uitrusten in het Youth Hostel van Borrowdale waar dat weekend ook een hoop fellrunners overnachtten. Inspirerend gezelschap dus. De volgende ochtend om 5u (!!!) vertrokken we voor de lange autorit terug naar Dover. Aangekomen in België kregen we van de Engelse weergoden nog een afscheidscadeautje: vanaf Duinkerke tot bij aankomst in Antwerpen goot het onophoudelijk zodat we uiteindelijk toch nog zeiknat thuis aankwamen ;-).

De foto’s kan je hier bekijken.

Verslag: R. Beeckman

Foto’s: R.Beeckman, S. Laenen, L.Willems