Wie Dividalen zegt, zegt Nordkalottleden. Het stuk tussen Abisko en Kilpisjärvi is een niet-technische maar fysiek uitdagende tocht door arctisch bergterrein. Lengte 185 km, 3800 m stijgen, typisch 8 stapdagen. Je volgt overwegend smalle wandelpaden en rendiersporen over kale hoogvlaktes, door stenige valleien en moerassige dalen. Veel trajecten zijn eenvoudig begaanbaar over zacht veen of grind, maar op andere stukken krijg je steilere puinhellingen, rotsige passages of drassige moerasbodem onder de voeten. Korte stukken door dicht struikgewas (berkenbos) kunnen voorkomen in de lagere dalen.
De moeilijkheid zit vooral in de afgelegen ligging, de lengte en het onvoorspelbare weer en het afwezig zijn van bevoorrading.
Desondanks zal je op deze route een stuk trager stappen dan op bv. de Kungsleden. Ga er zeker niet van uit dat je op een dag 30 km zal stappen. 15 à 20 km is een stuk realistischer.

De Nordkalottleden volgt de enige keten van (kleine onbewaakte) berghutten in Indre Troms.
Bewegwijzering en navigatie
De Nordkalottleden is in principe over de hele lengte gemarkeerd. De aard en zichtbaarheid van de markeringen variëren sterk per land en regio. In Zweden en Finland tref je geregeld verfstrepen op rotsen, paaltjes met het bekende rode kruis (voor winterroutes - let op : deze wijken soms af van de zomerroute) of houten wegwijzers bij kruispunten. In Noorwegen tussen de grens en Abisko zijn de paden vaak nauwelijks gemarkeerd – soms een steenman (cairn) hier en daar. De markeringen kunnen ook verbleekt of beschadigd zijn. Reken er dus niet op dat je eenvoudigweg een rood “T”-pad kunt volgen zoals in toeristische berggebieden elders. Oriëntatievermogen is cruciaal: neem goede kaarten en een kompas mee en zorg dat je hiermee overweg kunt. Een GPS-apparaat of navigatie-app op de smartphone is een nuttige back-up. Zoals steeds met die toestellen : er is geen netwerk (download de kaarten vooraf) en in de hutten is geen stroom (neem een powerbank mee).
Hoogteverschillen en moeilijkheid
Het traject kent relatief gematigde hoogteverschillen voor een bergwandelroute – er zijn geen extreem hoge toppen of diepe kloven op de route zelf. Je beweegt je grotendeels tussen 500 m (boomgrens) en 1000 m hoogte, met af en toe een pasovergang of heuvelrug. Laat je echter niet misleiden: de combinatie van afstand, klimaat en het gevoel van isolatie maakt deze tocht veeleisend. Veel delen van de route zijn zeer eenzaam; dagwandelaars kom je bijna niet tegen omdat de regio ver van bewoning ligt. De route is geschikt voor ervaren stappers die zelfvoorzienend kunnen wandelen – minder geoefende hikers kunnen beter eerst kortere tochten lopen in Scandinavië om te wennen.
Watercrossings
Onderweg kruis je talloze beekjes en riviertjes. Grote rivieren zijn doorgaans voorzien van bruggen, maar kleinere waterlopen moet je doorwaden. Dit is meestal goed te doen, want veel stroompjes zijn ondiep (en ’s zomers vaak laag door de midzomer droogte). Maar na regenval of bij smeltende sneeuw kunnen ook kleine fords verraderlijk diep en sterk worden. Er zijn nergens veerboten of roeiboten ; je kan bij Kilpisjärvi wel een toeristische ferry nemen die dagjesmensen naar het drielandenpunt brengt.
Klimaat
Het weer in Lapland is notoir wispelturig. In de zomermaanden (juli–augustus) zijn de dagen doorgaans mild en aangenaam: temperaturen tussen 10–20 °C komen vaak voor, en rond midzomer geniet je zelfs van 24 uur daglicht. Toch blijven plotselinge weersomslagen mogelijk: felle wind, aanhoudende regen of zelfs koude-invallen met sneeuw op hoger terrein kunnen zich elk moment voordoen. Sneeuwvelden blijven op bergpassen vaak liggen tot ver in juni, en vanaf half september is vroege sneeuwval alweer mogelijk.
Voor wie later op pad gaat, is september een bijzondere maand: dan kleurt het landschap in vurige herfsttinten tijdens de zogeheten ruska – de korte maar intense Arctische herfst. Berken verkleuren goudgeel, de dwergstruiken op de toendra worden roodbruin en het zachte licht maakt de bergen extra fotogeniek. Tegelijk wordt het weer instabieler en de nachten snel kouder: nachtvriestemperaturen zijn normaal en sommige hutten sluiten begin september. Ruska is een prachtig seizoen, maar vraagt een warme slaapzak, degelijke regenkleding en een flexibele planning.
Winter
In de wintermaanden is deze regio in een afgelegen sneeuwwoestijn – prachtig, maar enkel geschikt voor ervaren toerlanglaufers. Toerlanglaufs of backcountry ski’s zijn het aangewezen middel om je voort te bewegen, eventueel met sneeuwschoenen als alternatief. Een wintertocht Abisko–Kilpisjärvi is een stevige expeditie: houd rekening met diep sneeuw, extreme kou en zeer korte daglichtperiodes in midwinter (rond de jaarwisseling komt de zon hier nauwelijks boven de horizon). De meeste ski-trekkers kiezen het late winterseizoen (maart – april), wanneer de dagen langer worden en het weer iets stabieler is. Vanaf eind februari stijgt de zon weer voldoende om een paar uur per dag te kunnen navigeren bij daglicht, en de strenge vorst (-30°C of kouder) wordt dan geleidelijk minder.
Hutten in de winter: Alle Noorse DNT- en Finse open hutten zijn het hele jaar toegankelijk (mits je de sleutel hebt voor de DNT-hutten). Je kunt ze dus ook ’s winters gebruiken als etappeplaatsen. De Zweedse Pältsastugan is van november tot april officieel gesloten, maar de noodruimte is open. Reken erop dat je veel zelf moet doen: sneeuw scheppen om de deur vrij te maken, hakken om water te krijgen (sneeuw smelten of een wak maken) en zelf de kachel aanmaken en zelf voor brandhout zorgen uit de voorraad. Voedsel is nergens verkrijgbaar, dus je pulka/rugzak zal vol proviand moeten zitten voor de gehele tocht.
Route en markering in winter: Er ligt in Lapland vaak een dik pak sneeuw (1–2 meter). Het landschap krijgt een heel ander aanzien; moerassen en rivieren zijn geëgaliseerd, maar ook paden en markeringen verdwijnen onder de sneeuw. Navigatie is in de winter extra uitdagend. De Noorse secties van de Nordkalottleden hebben geen enkele wintermarkering – er worden geen takken of palen geplaatst op deze afgelegen routes. Je bent aangewezen op kaart/kompas/GPS om van hut naar hut te navigeren. In Zweden en Finland is dat iets beter: daar staan op sommige trajecten kruispaaltjes (“X” markeringen) die winterroutes aanduiden. Bijvoorbeeld van Kilpisjärvi naar Treriksröset en door naar Pältsastugan volgt men zo’n gemarkeerde wintertrail. Maar ook daar moet je oppassen: harde wind kan sporen snel doen verdwijnen en bewegwijzering omwaaien. In brede dalen kun je relatief eenvoudig een eigen spoor trekken, maar op vlaktes bij slecht zicht / white-out is het koersen op kompas.