HOME FORUM Materiaal en techniek Hiking en sportvoeding, een wetenschappelijke kijk

15 berichten aan het bekijken - 16 tot 30 (van in totaal 47)
  • Auteur
    Berichten
  • Kevin Aelbrecht
    Bijdrager
    Aantal berichten: 26

    Ik ben blij om te zien dat er zoveel reacties geplaatst zijn!
    Momenteel heb ik het even druk, maar ik zal deze zo snel mogelijk lezen en beantwoorden!

    Kevin Aelbrecht
    Bijdrager
    Aantal berichten: 26

    Reactie op DaemonAngel
    Eerst en vooral wil ik je bedanken voor je uitgebreide commentaar, ik ben al blij dat iemand het gelezen heeft!

    Macronutriënten zijn voedingstoffen die in grote hoeveelheden in een voedingsmiddel voorkomt. Alcohol kan men onder de macronutriënten zetten indien het product die geconsumeerd wordt veel alcohol bevat. Ik zelf heb op school altijd alcohol bij macronutriënten gezet, uiteraard hebben (zeker bodybuilders) liever niet dat je deze bij de “macro’s” zet. Eiwit, koolhydraten en vet leveren ook geen nutriënten (als je hiermee bijvoorbeeld micronutriënten bedoelt). Puur eiwit is ook gewoon eiwit en bevat geen P, Na, Vit A etc… Een onderzoek dat aantoonde dat eiwit in grote hoeveelheden slecht zou zijn voor de botten gebruikte bijvoorbeeld puur eiwit in hun onderzoek (dit is natuurlijk niet correct want in geen enkele omstandigheden vind je eiwit in pure vorm in een voedingsmiddel).

    Vetpercentage kan je zelf niet correct meten met een huidplooimeter, je hebt sowieso iemand nodig die de huidplooi bij jou neemt. Bij de meeste metingen wordt er subscapulair (onder het schouderblad) de huidplooi genomen, dit is praktisch natuurlijk onmogelijk om zelf te nemen.
    Je kan inderdaad huidplooimeters kopen tegen een relatief lage prijs, vaak krijg je echter wat je ervoor betaald.. Wat erg belangrijk aan een huidplooimeter is, is dat het een constante druk heeft. Of de opening van de huidplooimeter nu 3mm of 25mm is, vaak bij de goedkope modellen is deze druk niet constant wat voor verkeerde metingen zorgt. Een harpenden huidplooimeter is bijvoorbeeld een goede huidplooimeter, maar heeft dan ook een aardig kosten plaatje (rond de 350 euro).

    Spelling is niet mijn sterkste kant, dus er zullen zeker heel wat spellingfouten in staan!  :p

    Zoals beschreven in mijn artikel is inderdaad alfa-linoleenzuur en linolzuur essentieel. Dit betekend echter niet dat enkel je vet uit deze 2 bronnen mag komen. Met het oog op gezondheid zou er het beste een verhouding van 5/1 van omega6/omega3 gehouden worden. Er zijn echter onderzoeken die er op wijzen dat er nog meer omega3 geconsumeerd mag worden.

    Alhoewel het correct is dat alcohol eerder gemetaboliseerd wordt dan vet, eiwit en koolhydraten is dit nog steeds een ratio: er zal inderdaad meer alcohol gemetaboliseerd worden, maar er wordt altijd continue vet, eiwit en koolhydraten gemetaboliseerd. Nu weet ik niet hoe het zit met melkzuur. Moest alcohol absoluur eerst de voorgang krijgen op alle andere zaken die gemetaboliseerd moeten worden in de lever, dan zouden er al heel wat jongeren tijdens het voetbalwedstrijd gestorven zijn.

    Zeker als je meer spiermassa hebt is er heel wat kans dat je veel spiermassa zal verliezen tijdens je hikes inderdaad. Zoals je zegt is voldoende eiwit consumeren dan belangrijk. Alhoewel dit wel niet perse op geregelde tijdstippen moet.
    Uit een recente meta studie blijkt dat je helemaal je eiwit niet hoeft uit te spreiden over de dag. De onderzoeken die dit wel beweren zijn gesponsord door supplementen bedrijven. Deze stellen het onderzoek dan als volgt op: Controle groep: 80 gram eiwit/dag, 1 maaltijd. De testgroep 160 gram eiwit/dag, 3 maaltijden. En wat blijkt dan; de testgroep krijgt meer spiermassa en kracht bij. Natuurlijk krijgen deze meer spiermassa en kracht, de controle groep krijgt consequent te weinig eiwit. Interessante meta studie: http://www.jissn.com/content/10/1/53

    Het klopt inderdaad dat je bij whey eerder wat klontertjes krijgt, maar eerlijk gezegd: ik heb liever wat klonters in mijn whey/water mengsel dan dat ik heel wat meer geld moet neerleggen voor BCAA’s. Dat is een persoonlijke keuze want BCAA’s zijn niet slechter dan whey. BCAA’s zijn echter niet noodzakelijk als je reeds voldoende eiwit consumeert. Ik zelf doe men whey gewoon in een gamel en giet er wat water op en roer dan met een lepel. Bij mijn ontbijt doe ik gewoon wat whey in men havermout, zorgt voor lekker veel smaak en je hebt helemaal geen last van dat klonter effect. Maar zoals ik reeds zei, BCAA’s zijn net zo goed.

    Het effect van alcohol op de eiwit synthese is omstreden. Zeker in de bodybuilding wereld zal men steevast bevestigen dat: “alcohol je gains killed.” In een onderzoek uit 1991 bleek inderdaad dat een CHRONISCHE inname van alcohol kon leiden tot MINDER eiwitsynthese. Het komt er dus op neer dat als je een kleine hoeveelheid alcohol eens consumeerd je hier zo goed als geen negatieve effecten zal van onder vinden. Je hoeft natuurlijk ook geen alcohol te drinken. Ik bedoel gewoon: Als je eens wat alcohol drinkt hoef je je er niet schuldig om te voelen.

    Alan Aragon:

     

     

    Kevin Aelbrecht
    Bijdrager
    Aantal berichten: 26

    Als bijvoeging op bovenstaande post:

    Effects on Muscle Mass and Testosterone
    Geschreven door Alan Aragon

    “Does alcohol destroy muscle mass? Maybe, but you have to drink a lot. Most of the human research on alcohol’s effect on muscle-protein metabolism is on flat-out alcoholics who chronically consume more than 100 grams of ethanol — at least seven drinks — per day. Between one- and two-thirds of these drunks end up with “alcohol myopathy,” a condition characterized by muscle weakness and atrophy, frequent falls, and difficulty walking. (14) The high alcohol intake tends to displace essential nutrients, which means casual drinkers aren’t likely to lose their hard-earned muscle mass.

    If you’re one of those casual drinkers, don’t get cocky yet: In another study, two to three beers per day was shown to lower Testosterone levels by 6.8 percent during a three-week period. (15) But even that news isn’t necessarily bad. The beer also increased dehydroepiandrosterone sulfate (DHEAS) levels by 16.5 percent. DHEAS elevation has the potential to lower cardiovascular disease risk. We can only speculate over the impact of these results, since the researchers didn’t measure the effects on performance or body composition.”

     

    Reactie op boelo

    Zeker, ben ik helemaal eens mee!

    DaemonAngel
    Bijdrager
    Aantal berichten: 188

    Even paar responses op alcohol en spieren.
    Alcohol is wel gekend om de eiwitsynthese te inhiberen hoor.
    http://www.plosone.org/article/info%3Adoi%2F10.1371%2Fjournal.pone.0088384
    http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/18369928
    http://www.livestrong.com/article/539982-alcohols-effect-on-protein-synthesis/

    Dat dit inderdaad op de algemene spiergroei niet zoveel effect heeft als je is een keer het doet is wel normaal. Maar zolang de alcohol er is, wordt eiwit synthese geremd. Als je overnacht optimaal wilt herstellen voor de volgende dag, dan is alcohol een no go.

    Ik lees straks verder 🙂

    DaemonAngel
    Bijdrager
    Aantal berichten: 188
    Kevin Aelbrecht
    Bijdrager
    Aantal berichten: 26

    Ik zal jou niet tegenspreken dat geen alcohol consumeren inderdaad het meeste optimaal is.
    Dit betekend echter niet dat een kleine hoeveelheid alcohol veel kwaad doet.

    Note bij de onderzoeken die je aanhaalde:

    http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11584159

    Ik heb jammer genoeg geen toegang tot de full text hiervan.
    Alles wat ik hier schrijf heb ik dus afgeleid van het abstract. Hierin blijkt dat in een cultuur de eiwitsynthese bij spiercellen geïnhibeerd wordt.

    Zij besluiten dan ook: “We have demonstrated that EtOH can directly inhibit muscle protein synthesis under in vitro conditions.”. Nu is de vraag of dit wel relevant is in een menselijk lichaam. Deze type studies gaan vaak vooraf op het ‘echte werk’, het onderzoeken in menselijk lichaam en het complete plaatje begrijpen. In vitro is gemakkelijk omdat alle parameters controleerbaar zijn, dit is bij mensen niet het geval. Zo kunnen ze hypotheses opstellen en mogelijke oorzaken vinden.

    http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/18369928

    Dit beschrijft vooral de methoden die er zijn om onderzoeken op te zetten m.b.t. alcohol en eiwit synthese (zowel in vitro als in vivo).
    Het probleem dat ze vooral beschrijven gaat over chronische alcohol abuses: “The development of alcoholic muscle disease, which affects both cardiac and skeletal muscle, leads to increased morbidity and mortality in patients who abuse alcohol.”.

    http://www.plosone.org/article/info%3Adoi%2F10.1371%2Fjournal.pone.0088384

    Dit is een mooi onderzoek, maar is enkel toepasselijk op mensen die een ZEER grote hoeveelheid alcohol consumeren. In het onderzoek consumeerden ze maar liefst 120 gram alcohol, dit kwam ongeveer overeen met 12 alcoholische dranken. Zelf drink ik geen alcohol, maar ik zou zeker en vast ladderzat zijn! 😀 Zoals Alan Aragon aangeeft, is dit natuurlijk niet representatief voor één enkele alcoholische consumptie.

    http://www.livestrong.com/article/539982-alcohols-effect-on-protein-synthesis/

    Vroeger had livestrong heel wat goede artikelen, nu trekken ze de helft van de tijd zaken uit context.
    Wederom worden er artikels beschreven waarin er een obscene hoeveelheid alcohol geconsumeerd wordt of bij mensen met chronische alcohol abuses.

    Ik ga hier niet verder over discussiëren zoals ik reeds zei is het voor discussie vatbaar of alcohol al dan niet zo slecht is.

    Ik besluit: Alcohol zal weinig (tot geen?) negatieve effecten hebben als je de consumptie ervan beperkt.

    Kevin Aelbrecht
    Bijdrager
    Aantal berichten: 26

    Reactie op Debbie:

    Jullie zijn bedankt! De vele artikels hebben me heel wat geholpen. Onlangs was ik het artikel over de keuze in verschillende tenten aan het lezen, erg mooi geschreven! Ik ben er echter nog altijd niet uit of ik voor een tent of een tarp zou gaan… Dilemma’s!! 🙂

    Zoals je zegt inderdaad: alcohol kan, maar in beperkte mate.

    Ja, de weegschaal werkt met elektroden die een kleine stroom door je lichaam stuurt. De weegschaal meet de weerstand dan (bij sommige weegschalen krijg je de weerstand uitgedrukt in ohm te zien). Vet geleid slechter dan vetvrije massa (die vooral water bevat), waardoor mensen met een hoger vetpercentage dus een grotere weerstand hebben. Dit lijkt dus in theorie mooi, maar heeft zijn (serieuze) beperkingen.

    2 Methoden om de lichaamssamenstelling te evalueren

    Lichaamssamenstelling kan op 3 niveaus geëvalueerd worden (Heymsfield, Lohman, Wang, & Going, 2005). De beste methode om lichaamssamenstelling te evalueren is het lichaam open snijden en alle verschillende onderdelen te categoriseren en te wegen. Dit is een niveau 1 methode en is een directe methode. Aangezien dit natuurlijk in de praktijk niet mogelijk is voor mensen, wordt er via indirecte methoden gewerkt. Dit kan gesplitst worden in 2 verschillende methoden: indirecte methoden (niveau 2) en dubbel indirecte methoden (niveau 3) (American Dietetic Association, 2009). Hieronder worden enkele methoden kort besproken. Voor belang van deze lichaamssamenstellingmethoden, zie supra (praktische implicatie belang van gekend vetpercentage).

    2.1 Indirecte methode

    2.1.1 Onderwaterweging

    Onderwaterweging die vroeger de gouden standaard werd genoemd, wordt nu niet veel meer toegepast. Onderwaterweging wordt gebruikt om de accuraatheid van andere methoden te evalueren. Onderwaterweging steunt op het principe dat verschillende weefsels, een verschillende massadichtheid hebben en dat het ene weefsel dus meer of minder zal drijven ten opzichte van water. Onderwaterweging is relatief duur, omslachtig en is erg tijdrovend. Wellicht zijn dit een aantal aanleidingen waardoor het steeds minder gebruikt wordt (McDonald, Measuring Body Composition, 2009).

    2.1.2 Dual-energy x-ray absorptiometry (DEXA)

    DEXA is oorspronkelijk ontwikkeld om de dichtheid van lichaamsdelen te kunnen bepalen, bijvoorbeeld de botdichtheid. Later werd ontdekt dat dit ook zeer accuraat is om lichaamssamenstelling te bepalen (Manore, Thompson, & Meyer, 2000). De DEXA-scan kan het verschil maken tussen botten, spieren en vetweefsel. Elk weefsel absorbeert de X-ray meer of minder. Via een DEXA-scan wordt het lichaam volledig gescand, zo kan men zowel een duidelijk beeld krijgen over de algemene samenstelling en ook over de plaatselijke samenstelling (bv. visceraal vet) Het is op deze manier dus mogelijk om de hoeveelheid vet te vergelijken met elkaar van regio tot regio. Alhoewel een DEXA-scan zeer snel is en niet-ingrijpend is, wordt het in de praktijk niet veel gebruikt door de hoge kostprijs van het materiaal. Voor onderzoekers is het interessant om de gegevens die men van de DEXA-scan verkrijgt te vergelijken met de gegevens die men van andere methoden zoals de huidplooimetingen verkrijgt (Stewart & Hannan, 2000). Zo kan men de formules aanpassen en beter op punt stellen.

    2.1.3 Air displacement plethysmography (ADP)

    ADP wordt ook gebruikt om lichaamssamenstelling te meten via de dichtheid van het lichaam (Heymsfield, Lohman, Wang, & Going, 2005). Men kan het als een ‘droge meting’ van de onderwaterweging zien. Een bekend merk die met de principes van air displacement plethysmography werkt is de Bodpod. De Bodpod meet hoeveel lucht er verplaatst wordt (en zo het volume) en hoeveel men weegt. Het lichaamsvet percentage kan dan berekend worden aan de hand van de Siri formule (Siri, Lawrence, & Cornelius, 1956) of via de Brozek and Colleagues formule (Brozek, 1966). Alhoewel deze methode voor relatief goede metingen zorgt, wordt het lichaamsvet percentage bij volwassenen en kinderen onderschat met 2 tot 3% (Going, 2006). Dit is een dure methode en is relatief accuraat, maar de DEXA-scan levert toch betere resultaten op, aangezien deze niet afhankelijk is van formules.

    2.2 Dubbel indirecte methode

    2.2.1 Huidplooimeting

    Huidplooimetingen worden vaak gebruikt om lichaamssamenstelling te beoordelen. De huidplooi wordt op verschillende specifieke punten op het lichaam gemeten via een gestandaardiseerde methode aan de hand van een huidplooimeter die een standaard druk uitoefent van 10g/mm2 . De standaard techniek en plaats van de huidplooimeting wordt omschreven door Heymsfield en Marfell-Jones (Heymsfield, Lohman, Wang, & Going, 2005). Via een huidplooimeting tracht men het subcutane vet te meten. De resultaten worden dan in een voorspellende formule gezet om zo het geschatte lichaamsvet percentage te bekomen. Meerdere meetplaatsen zou accurater zijn, maar bij meerdere meetplaatsen is er dan een grotere kans op een foutmarge. Bij een geoefend operator kunnen huidplooimeters zeer accuraat zijn. Indien het individu die de huidplooi meet niet geoefend is, zit er gegarandeerd een foutmarge op. Ondanks de mogelijke meetproblemen blijft deze techniek toch zeer populair doordat het doelmatig en goedkoop is (McDonald, Measuring Body Composition, 2009).

    2.2.2 Bioelectrical Impedance analysis (BIA)

    BIA is gebaseerd op het principe dat een elektrisch signaal gemakkelijker door vetvrije massa zal gaan dan door vet of botten. Met andere woorden op het principe dat vetvrije massa een betere geleider is voor de elektrische stroom (die steeds de kortste weg zoekt). De vetmassa wordt op deze manier geschat door de vetvrije massa te verminderen van het totale lichaamsgewicht. Indien het volledige lichaam getest wordt met BIA door elektroden op de enkels en polsen te plaatsen, kan men een relatief goede inschatting krijgen van het totale lichaamswater en vetvrije massa (Heymsfield, Lohman, Wang, & Going, 2005). BIA is echter afhankelijk van verschillende factoren die fouten bij de meting kunnen veroorzaken. Er is echter 1 groot voordeel ten opzichte van de huidplooimeting. Bij BIA moet de uitvoerder niet geoefend zijn. BIA is echter niet altijd even accuraat. Indien de hydratatie richtlijnen nageleefd worden, is BIA relatief accuraat. In de werkelijkheid worden deze richtlijnen echter niet vaak gevolgd. Zowel dehydratatie (ook bij een koolhydraatarme voeding waarbij glycogeen verlaagd is) als bij hyper-hydratatie kunnen de resultaten van BIA volledig verstoren. Zelfs een groots glas water kan de BIA resultaten met een aantal percentages verstoren. Deze methode is nog niet geëvalueerd bij de atletische populatie waardoor de correctheid van deze methode in twijfel kan worden getrokken (American Dietetic Association, 2009). Aangezien atleten voldoende gehydrateerd moeten zijn en ze een grote hoeveelheid kcal elke dag moeten eten, lijkt het onrealistisch dat deze groep de vooropgestelde richtlijnen zullen of kunnen opvolgen.

    2.3 Problemen met deze lichaamssamenstellingmethoden

    De meeste methoden meten de lichaamssamenstelling niet rechtstreeks. In de meeste gevallen wordt de weefseldichtheid gemeten die dan op zijn beurt gebruikt wordt om het lichaamsvet percentage in te schatten. Hierbij veronderstelt men dat de weefseldichtheid voor individuen in een bepaalde populatie gelijk blijft. Dit blijkt echter niet te kloppen. Krachttraining kan de botdichtheid significant laten toenemen. Hierdoor kloppen de meeste berekeningen niet. Zo kan een 50 jaar oude gewichtheffer de botdichtheid hebben van een 20 jaar oude student. Bovendien is er een verschil in de massadichtheid van de verschillende vetweefsels. De meeste lichaamssamenstellingmethoden kunnen dus slechts als schattingen van het lichaamsvet percentage gezien worden. Een uitzondering hierop is DEXA, deze meet rechtstreeks de weefseldichtheid. De huidplooimeter heeft bovenop bovenstaande problemen ook nog andere klempunten. Bij de huidplooimeting wordt er de veronderstelling gemaakt dat de dikte van de huid bij iedereen hetzelfde is en altijd gelijk blijft. Desondanks dat het slechts 1mm verschil zal uitmaken, is het aangetoond dat over vele meetplaatsen 1mm meer of minder een significant verschil van 1,5% vetpercentage kan veroorzaken. Voor obese individuen maakt dit niet zoveel uit, maar voor de prestatiegerichte atleet die reeds een laag vetpercentage heeft, is 1,5% meer of minder erg veel verschil. Huidplooimeters meten enkel onderhuids vet. Sommige individuen kunnen een grote hoeveelheid visceraal vet (vet rondom organen) hebben. Een daling van dit visceraal vet zal bij een huidplooimeter dus vaak als een daling van de vetvrije massa geregistreerd worden. Zo kunnen de prestatiegerichte atleten denken dat hun dieet niet goed is, terwijl hun vetvrije massa wel werd behouden. Het is belangrijk dat er onder dezelfde omstandigheden gemeten wordt. Bij een vrouw bijvoorbeeld kan de menstruele cyclus de resultaten significant beïnvloeden. Maar ook een simpele maaltijd of een glas water kan in sommige gevallen de meting verstoren (McDonald, Measuring Body Composition, 2009). Sommige onderzoeken rapporteerden dat de huidplooimeting een betere manier is om lichaamsvet percentage in te schatten dan BIA (Clark, Bartok, Sullivan, & Schoeller, 2004; Houtkoopr, Mullins, Going, Brown, & Lohman, 2001; Stewart & Hannan, 2000). BIA is dan weer een betere (in de zin van praktisch haalbaar) methode om grote hoeveelheden data snel te kunnen verzamelen, maar is minder accuraat om individuele kleine verschillen in lichaamsvet percentage te meten (Segal, 1996). Uiteindelijk is het vooral belangrijk dat de metingen van de lichaamssamenstellingmethoden consequente resultaten opleveren.

    Praktische implicatie:

    Vb: Een sprinter heeft een reëel vetpercentage van 10%. De huidplooimeting geeft een vetpercentage aan van 12%. De sprinter beslist zijn vetpercentage te verlagen maar wil hierbij wel zijn vetvrije massa behouden. Na 2 maanden laat hij opnieuw zijn huidplooi opmeten. Volgens de huidplooimeter heeft hij nu 10% vet, terwijl dit in realiteit 8% is. Desondanks dat de huidplooimeting eigenlijk niet correct is, kan de atleet zijn progressie wel monitoren. Het geeft ook een relatief goed beeld weer of er al dan niet vetvrije massa verloren is.

     

    Moest er iemand geïnteresseerd zijn in de volledige lijst met referenties (wat ik betwijfel), hoef je maar wat te laten weten.

    Als ik naar je profiel foto kijk lijkt het me sterk dat je 27% vetpercentage zou hebben. 20% lijkt me een veel beter inschatting. 😉

    Je mag zeker dit artikel als achtergrond gebruiken, ik zou niets liever willen!
    Ik zou het geheel zeker willen nalezen.

    DaemonAngel
    Bijdrager
    Aantal berichten: 188

    @Kevin:
    Sidenote:
    (Off-topic)
    Het belang van een in vitro studie onderschatten voor zoiets is gevaarlijk. Zelf werk ik in R&D in de farmaceutische sector. Een in vitro studie voor dergelijke zaken is wel van belang. Je zit altijd met een extrapolatie naar een systeem. Hierdoor zie je niet alle risico’s of problemen terug opduiken in het systeem. Vaak is er ergens wel een bufferende werking. Maar een synthese of signaaltransductie is iets dat met zeer grote waarschijnlijkheid een effect gaat hebben in het volledige systeem. Wat juist de impact gaat zijn is ongeweten. Maar dit in een menselijk systeem meten is onmogelijk tenzij je gaat extrapoleren vanuit extreme situaties zoals in de andere artikels.
    De combinatie van de in vitro studie die een effect toont op het mechanisme, samen met een hoge dosis die een effect toont in de menselijk populatie zouden in de farmaceutische sector tot een identified risk leiden.
    Ik wou het maar meegeven 🙂

    Debbie
    Sleutelbeheerder
    Aantal berichten: 1055

    Als ik naar je profiel foto kijk lijkt het me sterk dat je 27% vetpercentage zou hebben. 20% lijkt me een veel beter inschatting. 

    Ik voel me gevlijd. 🙂

    Maar ‘k zal toch nog eens bij Energy Lab langsgaan voor een ‘objectieve’ DXA-scan.

    Woubeir
    Bijdrager
    Aantal berichten: 783

    Moest er iemand geïnteresseerd zijn in de volledige lijst met referenties (wat ik betwijfel), hoef je maar wat te laten weten.

    Euh, ik.

    ivovm
    Sleutelbeheerder
    Aantal berichten: 991

    Ik kan de bijdrage van Toon erg waarderen omdat hij zelf probeert uit te zoeken wat het best werkt voor hem. Omdat ik zelf ook mijn vragen heb bij de eigen voeding. Waar ik probeer het gewicht van het eten zo laag mogelijk te houden zonder tegen de muur te lopen of waarbij de eigen spieren moeten worden opgeofferd.

    Ik kijk uit of er iemand in slaagt om een leesbaar artikel te schrijven dat handvaten geeft hoe op een efficiënte manier om te gaan met een (licht) calorie tekort tijdens een lange zelfvoorzienende tocht.
    Zelf vond ik dat in volgende teksten/bijdragen er soms goede bijdragen zaten die helder en leesbaar waren.
    http://www.verber.com/mark/outdoors/stash/packlite/index.htm
    http://www.backpackinglight.com/cgi-bin/backpackinglight/forums/thread_display.html?forum_thread_id=80481

    Kevin Aelbrecht
    Bijdrager
    Aantal berichten: 26

    Referenties:

    American Dietetic Association. (2009). Position of the American Dietetic Association, Dietitians of Canada, and the American College of Sports Medicine: Nutrition and Athletic Performance. Journal of the American Dietetic Association .

    Brozek, J. (1966). Body Composition: Models and estimation equations. American Journal of Physical Anthropology. , 239-246.

    Clark, R., Bartok, C., Sullivan, J., & Schoeller, D. (2004). Minimum weight presdiction methods cross-validated by the four-component model. Medicine & Science in Sports & Exercise , 639-647.

    Going, S. (2006). Optimizing techniques for determining body composition. Gatorade sports science exchange. , 19:101.

    Heymsfield, S., Lohman, T., Wang, Z., & Going, S. (2005). Human Body Composition. 2nd ed. Champaign: Human Kinetics.

    Houtkoopr, L., Mullins, V., Going, S., Brown, C., & Lohman, T. (2001). Body composition profiles of elite American heptathletes. International Journal of Sport Nutrition and Exercise Metabolism , 162-173.

    Manore, M., Thompson, J., & Meyer, N. (2000). Sports Nutrition for Health and Performance. Champaign: Human Kinetics.

    McDonald, L. (2009). Measuring Body Composition. Opgeroepen op Juli 16, 2012, van Website van Lyle McDonald: http://www.bodyrecomposition.com/fat-loss/measuring-body-composition-part-2.html

    Segal, K. (1996). Use of bioelectrical empedance analysis measurments as an evaluation for participating in sports. The American Journal of Clinical Nutrition , 469-471.

    Siri, W., Lawrence, J., & Cornelius, A. (1956). Advances in Biological and Medical Physics. New York: Academic Press.

    Stewart, A., & Hannan, W. (2000). Prediction of fat and fat-free mass in male athletes using dual X-ray absorptiometry as the reference method. Journal of sports sciences , 263-274.

     

    Kevin Aelbrecht
    Bijdrager
    Aantal berichten: 26

    Ik heb nog even tijd dus ik zal nog wat posts doornemen.


    @Debbie
    , zoals je zelf zegt klopt het inderdaad dat elke sport een ander optimaal ‘voedingsprofiel’ heeft.
    Zoals ik in het artikel aangaf is een aangevulde glycogeen voorraad belangrijk voor hikers. Eerst en vooral zal je mentaal heel wat steviger in je schoenen staan, maar een volle glycogeen voorraad komt ook de prestaties ten goede. Zoals in het artikel aangaf is voldoende eiwit ook erg belangrijk! Het klopt inderdaad dat mensen die krachttraining doen (en in moeilijke termen niet meer in de untrained of novice fase zitten) meer eiwit zullen nodig hebben en meer kans hebben om spiermassa te verliezen tijdens het hiken. Voldoende eiwit komt echter ook de personen die geen krachttraining doen ten goede. Zo zal voldoende eiwit bij een zware hike bij hen zelfs mogelijk tot een stijging in de spiermassa zorgen.

    Zoals ik in één van deze bovenstaande post zei heeft de huidplooimeting zeker zijn beperkingen! Als je echt je lichaamsvetpercentage accuraat wilt weten zal een DEXA scan inderdaad de beste optie zijn. Laat me weten wat het resultaat dan uiteindelijk blijkt te zijn en wat de prijs was! 🙂 In sommige ziekenhuizen doet men een gratis DEXA scan voor personen ouder dan 60 jaar aangezien deze meer risico hebben op osteoporose.

     


    @DaemonAngel
    :

    Prestatiegerichte atleten gebruiken het beste een kcal deficit die uitgedrukt is ten opzichte van hun eigen lichaamsgewicht. Zo zal een 120kg wegende powerlifter meer dan 500 kcal/dag onder zijn energiebehoefte moeten zitten en dit terwijl voor een 50kg wegende vrouw 500 kcal/dag onder haar energiebehoefte al een erg groot (maximaal aangeraden) deficit is.

    Ik quote een deel van een artikel die ik geschreven heb over vetverlies bij prestatie gerichte atleten:

    Praktische implicatie:

    Vb 1: Een vrouwelijke atleet weegt 50kg. Een gewichtsreductie van 1% per week zou voor haar 0,5kg gewichtsverlies per week betekenen.

    Vb 2: Een mannelijke atleet weegt 150kg. Een gewichtsreductie van 1% per week zou voor hem 1,5kg gewichtsverlies per week betekenen.

    Indien men niet in percentages zou werken (bijvoorbeeld 1000kcal restrictie ten opzichte van de energiebehoefte) zou de vrouwelijke atleet veel te veel afvallen en de mannelijke atleet te weinig afvallen (National Strength and Conditioning Association, 2008).

     

    Ik besloot op het einde van het hoofdstuk:

    Er is dus nog veel verder onderzoek nodig naar de energie-inname bij de gewichtmakende atleet. Er bestaat nog geen duidelijke consensus over. Met de gegevens die er momenteel voorhanden zijn, kan er besloten worden dat meer dan 1% gewichtsverlies per week negatieve gevolgen voor de prestaties kan impliceren. Prestatie gedreven atleten zullen een gewichtsafname tussen de 0,7 % – 1% (met 1 % als absolute bovengrens), moeten nastreven.

    Zoals je zelf aangeeft klopt het wel dat hoe trager je lichaamsgewicht verliest hoe beter, je zal zo minder spiermassa verliezen. Voor veel mensen is een ‘cut’ die 2 jaar duurt echter veel te lang, zeker als je rekening houd dat in die periode je geen spiermassa (als je geen novice lifter meer bent) zal kunnen bij krijgen.

    Vroeger dacht men inderdaad dat de maaltijd frequentie erg belangrijk was om spiermassa te behouden. Nu blijkt dat dit niet klopt. Het kan natuurlijk ook helemaal geen kwaad om frequent maaltijden te nemen zoals je aangeeft. Meer onderzoek is echter noodzakelijk.

    http://www.leangains.com/2011/04/critique-of-issn-position-stand-on-meal.html

    Erg interessant stuk tekst over in vitro etc. die je geschreven hebt!

     

     

    Kevin Aelbrecht
    Bijdrager
    Aantal berichten: 26

    @toon:

    Erg interessant! Ik zelf ben ook nogal fanatiek met voeding bijhouden etc, maar ik heb niet voldoende hiking ervaring om in te kunnen schatten of ik al dan niet goed presteer etc.

    Vet hebben we (of de meesten toch) voldoende zelf op voorraad. Wij kunnen vanuit dit vet echter geen alfa-linoleenzuur en linolzuur synthetiseren. Het is dan ook belangrijk dat we wel een hoeveelheid vet consumeren, denk maar aan de befaamde omega 3 vetzuren.
    Als hiker is het inderdaad belangrijk om voldoende koolhydraten te consumeren, een hoeveelheid vet in de vorm van omega 3 (bij voorkeur) is echter ook aangeraden.

    Jij heb het goed begrepen! Hoe lang je juist met je koolhydraat reserves kan doen hangt af van hoe groot deze zijn (hangt bv samen met spiermassa) en hoe hoog de intensiteit is van de inspanning. Stel nu ik heb een glycogeen voorraad van 500 gram. Dit komt overeen met 2000 kcal. Stel nu dat in theorie (want in praktijk niet mogelijk) ik enkel koolhydraten als energiebron zou aanspreken, dan zou ik zelf in zeer zware condities wel langer dan 1,5 uur nodig hebben om deze 2000 kcal te verbruiken.
    Als we kijken naar de Compendium of Physical Activities dan zien we dat bergen beklimmen (dus stijgen) met een gewicht tussen de 21 en 42lbs een MET waarde van 8,3 heeft.
    Als we deze waarde dan omzetten voor een gemiddelde hiker:

    Energieverbruik per minuut (kcal/min) = (MET x 3,5 x gewicht)/200

    Stel nu we hebben een hiker met een lichaamsgewicht van 75kg.
    Dan zal deze hiker 10,89 kcal per minuut verbruiken.
    Om 2000 kcal te verbruiken zal deze persoon er 183 min over doen, neem nu 3 uur.
    Dit is met een gemiddelde backpack en in zware condities (continue stijgen, dus niet stil staan) en met de verkeerde assumptie dat er enkel koolhydraten gebruikt worden.

    Whey-eiwit is inderdaad relatief goedkoop (als je het gewone huismerk neemt wat zeker niet slechter is dan de duurdere isolaten etc.) en een gemakkelijk vervoerbaar product. Meer eiwit per gewichtseenheid (voor de grammenjagers hier) kan je niet meenemen.

    Ik vind dat je een mooie case study gemaakt hebt! Alles zelf mooi bijgehouden wat je zeker heel wat verder kan helpen in de toekomst! Ook voor anderen (zoals mij) is het erg interessant om te lezen! 🙂

    Prof Lustig is echter niet goed op de hoogte en interpreteert de onderzoeken jammerlijk verkeerd en creëert een soort fructosefobie..

    Of een video:

    Net zoals eiwit bestaan er bij koolhydraten heel wat missconcepties.
    Je hebt ‘snelle suikers’ en ‘trage suikers’. Wat blijkt nu, deze verschillende soorten koolhydraten zouden even snel opgenomen worden in het bloed.

    Which brings us to the above study.  As mentioned above, bodybuilders and athletes usually assume that a low GI means a low insulin response but the study above draws that conclusion into question.  Rather it found that the low GI food showed a lower blood glucose response because it generated a higher early insulin response (clearing blood glucose out of the bloodstream) at the 30 minute mark (by 60 minutes, both foods showed similar insulin levels).  Quoting directly from the paper “Bran cereal has a low GI because a more rapid insulin-mediated increase in tissue glucose uptake attenuates the increase in blood glucose concentration, despite a similar rate of glucose entry into the blood.”

    That is to say, both foods released glucose into the bloodstream at similar rates, but the bran cereal showed faster uptake due to a higher initial insulin spike, which lowered the overall GI response.

    Over eiwit heb je ook zo een mythe, bestaande tussen de whey en de casseïne eiwitten. Whey eiwitten zijn de zogenaamde snelle eiwitten en casseïne eiwitten zijn de zogenaamde trage eiwitten. Deze eiwitten zitten na consumptie echter even snel in de bloedbaan. We kunnen wel zien dat whey een hogere AZ piek heeft, dit terwijl casseïne, eenmaal een bepaald punt bereikt, een constante hoeveelheid AZ in het bloed heeft.

    Voor meer info hier omtrent verwijs ik naar Lyle McDonald zijn Proteïn boek of naar een serie artikels die hij schreef: http://www.bodyrecomposition.com/nutrition/what-are-good-sources-of-protein-speed-of-digestion-pt1/

    Als het over voeding gaat zijn er 2 personen die echt een zeer goed zicht hebben op ‘the big picture’: Alan Aragon en Lyle McDonald. Moest je dus wat meer willen weten over voeding hoef je maar eens wat artikels van hen op te zoeken.  Er zijn ook nog wel anderen die heel wat weten over voeding: Dr John Berardi bijvoorbeeld.

    DaemonAngel
    Bijdrager
    Aantal berichten: 188

    Frequente maaltijden is niet onmiddellijk om spiermassa te behouden maar vooral om je metabolisme op gang te houden.

    Vandaar dat het interessant is elke aantal uur te eten.

    Dat recent “onderzoek”  dit tegenspreekt lijkt me sterk. Ervaring van 50 jaar topsporters en bodybuilders (groep waar voeding het belangrijkste is) heeft geleerd dat dit het meest optimale is. Er is al enorm veel geprobeerd maar het komt altijd terug naar dat.

    Feed the muscle, lose the fat van Tom venuto is een enorm goed boek hierover. 1 van de meest aangehaalde boeken en het enige dat ik weet waar geen discussies over ontstaan zijn.

    Kleine porties meer frequent hebben de volgende voordelen:

    Je hebt minder honger en gaat dus ook minder snacken

    Je metabolisme blijft constant hoog omdat er continu energie voorhanden is

    Als je een grote hoeveelheid ineens eet gaat je lichaam dit niet allemaal kunnen gebruiken en een deel opslaan als vet. Eenmaal opgeslagen als vet is het lastiger om het terug weg te krijgen

    Je bent moe. Grote maaltijd maakt je heel lui en dit is vervelend en nadelig voor je metabolisme

    Dat een onderzoek zegt da je grote maaltijden beter eet of dit niets uitmaakt wil ik wel eens zien dan.

15 berichten aan het bekijken - 16 tot 30 (van in totaal 47)
  • Je moet ingelogd zijn om een reactie op dit onderwerp te kunnen geven.